Ko Lum's archief
Welkom bij het archief van Ko Lums columns. Hier kun je de eerder verschenen columns van Ko Lum teruglezen. Blader door de columns en ontdek de wereld door de ogen van deze zelfingenomen fantast.
INDELING
NR. 1 EVEN VOORSTELLEN.
NR. 2 DECEMBER.
NR. 3 MIJN TAFELTENNISCARRIÉRE.
NR. 4 DE OUDEREN HEBBEN HET VERLEDEN.
NR. 5 EEN ZWARE DOBBER.
NR. 6 VERLIEZEN IS EEN KUNST.
NR.7 VROEGER.....WAS ALLES BETER.
NR.8 BLESSURES.
NR. 9 VAKANTIE.
NR. 10 DANSEN EN SJANSEN
NR. 11 VROEGER WAS ALLES BETER (RESTYLED).
NR. 12 MILITAIRE DIENST.
NR. 13 HOOFD VOL PLANNEN, BENEN VOL ZAND.
14) WOORDENSCHAT.
===========================================================================================================
EVEN VOORSTELLEN (nr. 1)
Hallo beste lezers en lezeressen. Graag stel ik me even aan jullie voor via dit kanaal.
Mijn naam is Ko Lum, volgens mijn moeder geboren en getogen in Amsterdam en sinds lange tijd vooral bij mij in de regio bekend staand als een erkend schrijver van scherpe, analytisch en tactisch verantwoorde, soms komische en soms kritische columns.
Deze columns gaan over het dagelijkse leven, over het wereldje zoals ik dat zie met een vleugje fantasie en ook over sport, mede omdat ik dat in al die lange jaren in verschillende takken zelf heb beoefend.
Ik hoor u denken: welke raakvlakken heeft deze vriendelijke man nu eigenlijk met sport? Terechte gedachte maar het antwoord is even simpel als ingewikkeld, namelijk: veel. Laat ik in deze eerste column eens beginnen met de denksport schaken.
Ik moet een jaar of 2 zijn geweest toen ik voor het eerst in aanraking kwam met het edele spel. Thuis hadden we het niet echt breed en voor speelgoed was geen geld beschikbaar. Mijn vader was houtbewerker van beroep en naast zijn verwoede hobby als sportvisser bracht hij ook menig uurtje door aan het door hemzelf ontworpen schaakbord. Ook de bijbehorende stukken waren door hem vervaardigd. Op de momenten dat mijn vader aan het werk was en ik me langzaam ontwikkelde tot een ondernemende peuter kreeg ik van mijn moeder de schaakstukken van mijn vader om mee te spelen. Hoewel het geen jeugdtrauma is geworden is dat eerste speelgoed bepalend geweest voor het verdere verloop van mijn jeugd.
Waar andere kinderen van rond de 10 jaar buiten bordjetik of verstoppertje speelden of met de priktol aan de slag gingen kocht ik van mijn eerste opgespaarde zakgeld de prisma schaakboekjes van Hans Bouwmeester (een erkend schaakpublicist). De verhalen van vroegere wereldkampioenen en hun rivalen intrigeerde mij, ze namen mij mee naar een tijdperk (1800-1950) die mij de romantiek van het schaken deed begrijpen. Soms arme sloebers, vaak ook weer vroegtijdig gestorven maar geniaal op de 64 velden. Dankzij deze lectuur staan namen als Steinitz, Anderssen, Paulsen en Morphy voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Ik speelde vol overgave hun partijen na en verdiepte me in hun levenswijze. Het klinkt simpel maar dankzij deze boekjes ben ik aan het schaken verslaafd geraakt.
In mijn carrière als schaker heb ik tot dusver een enkele up maar vele downs meegemaakt, dat is dan ook de hoofdreden dat ik al 12 x ben gestopt als clubschaker maar steeds weer voor korte duur. Schaken, tja, dat overkomt je en laat je nooit meer los, het gevoel om je herseninhoud tactisch te meten met je tegenstander en hem dan bij voorkeur mat te zetten is vergelijkbaar met een eh.... nou ja, het gevoel dat je bijvoorbeeld een prijs hebt gewonnen in de Staatsloterij. Overigens een slecht voorbeeld omdat ik het genoegen van dat gevoel nooit heb mogen ervaren, maar dat terzijde.
Genoeg voorgesteld, vanaf het volgende nummer zal ik wekelijks de mij toegewezen ruimte vullen met mijn hersenspinsels.
KO LUM
===========================================================================================================
DECEMBER (nr. 2)
Het is weer zo ver. December is aangebroken. Je moet sterk in je schoenen staan om die vreetmaand te overleven. Nou kamp ik al jaren met het probleem mijn gewicht op enig niveau te houden maar als al die verleidingen in de vorm van marsepein, chocoladeletters, pepernoten, banketstaven, gourmetschotels, koude en warme tussendoortjes, oliebollen, appelflappen en last but not least de alcoholische versnaperingen mijn neus passeren dan is er geen ontkomen aan dat mijn weegschaal de eerste week van januari mij op rapport laat komen.
Maak jezelf dan maar weer wijs dat het niet je eigen schuld is. Dan heb ik ook nog te maken met mijn vrouw Kobie, aardig mens, maar als de kerstman met zijn oude slee weer is neergedaald in onze regio dan gebeurt er iets wat ik al 78 jaar niet kan verklaren, want gevoelsmatig ken ik haar al zo lang. Het huis verandert plotseling in een 2ehands tuincentrum. Je kan geen kastdeur opendoen om iets te pakken of er dondert een kerstbal op de grond of nog erger, een compleet kerststuk, gevolg: scherven, overal naalden op de grond en wie mag het weer opruimen? Ko.
Gelukkig duurt deze poppenkast gemiddeld maar een week of 6 maar ja, dan ben je er nog niet met die vermaledijde kerstdagen. Wat natuurlijk niet mag ontbreken is het jaarlijkse megafestijn: het kerstdiner. Een logistiek proces waar je U tegen zegt. Je moet tenslotte met iedereen rekening houden. Mijn broer Jan lust alleen biefstuk, zijn vrouw alleen kipstukjes, niet gemarineerd. Dan is daar mijn nicht Jet, altijd aanwezig als er gratis eten te verorberen is en verorberen kan ze als de beste, dus dat betekent extra inslaan. Ook hebben we nog schoonmoeder Lola, die wil alleen een paar boterhammen met pindakaas, buurman Henk, is altijd alleen met die dagen en sociaal als ik al jaren ben mag hij meeprikken, helaas is hij vegetariër en dan zijn er nog de 2 neefjes Puk en Sully, je raadt het al, veel patat en een frikandel.
Maar goed, het hoort er bij (neem ik aan). Na afloop van dit festijn ruikt onze kamer 3 dagen naar de drukke snackbar van om de hoek en is de vloerbedekking te vergelijken met de Jaap Edenbaan, alleen iets gladder.
Helaas is dan de gruwelmaand nog niet voorbij. Als klap op de vuurpijl sluiten we af met oud en nieuw. Weken van tevoren dienen de vette oliebollen te worden gekeurd zodat je half misselijk de laatste dag van het jaar in gaat.
En daar staan die bollen weer, opgesteld in rotten van 4, zeker 6 schalen want er mocht eens iemand onverwacht komen aanwaaien. Alles moet op wordt er nog bij gezegd. De laatste uren tikken weg net zoals mijn helderheid na het innemen van de vele borrels en dan komt het klapstuk van de avond: de champagne. Ik kan u vertellen dat ik de komende jaren het vuurwerk niet zal missen, simpelweg omdat ik dat al jaren als gevolg van de drankinname niet meer beleef. Ik neem mezelf voor, dit nooit meer, maar diep van binnen weet ik nu al dat het volgend jaar weer net zo zal verlopen. Maar daar maak ik me pas begin december 2026 weer druk om.
Ko Lum
===========================================================================================================
MIJN TAFELTENNISCARRIERE (nr. 3)
Een bovengemiddeld columnist dient naast een schat aan woordenkennis ook te beschikken over levenservaring, daarnaast zijn uitstekende sportprestaties een mooie aanvulling hier op.
Zo heb ik een geweldige carrière als tafeltennisser achter de al wat ouder wordende rug. Die carrière begon toen ik nog een snotneusje was, op de dag dat ik mijn 7e verjaardag vierde. Op die dag kreeg ik namelijk van mijn ouders 2 tafeltennisbatjes plus 3 balletjes, stevig ingepakt in hard plastic. Natuurlijk wilde ik dat wel eens uitproberen, probleem was alleen dat ik er geen tafeltennistafel bij had gekregen en zelfs het bijbehorende netje ontbrak. Gelukkig was mijn vader vrij handig, hij knipte van muggengaas een langwerpig net en spande dat om onze ronde eetkamertafel. Al snel had ik het spelletje onder mijn linkerknie, met name op de door mij geslagen ballen met antikruisspin had mijn 5 jaar oudere broer geen antwoord.
Het bleek het begin van een glanzende carrière als toptafeltennisser. Toen ik 10 jaar was meldde ik me bij mijn eerste tafeltennisvereniging. Waar andere kinderen van mijn leeftijd moeite hadden zelfs het balletje te raken lanceerde ik de ene na de andere smash. De coach noemde het geluk, maar zelf herkende ik pure genialiteit, toen al. Mijn tegenstanders hadden het zwaar want menig potje duurde zo ‘n 20 seconden. Ik begon dan met de opslag, een soort raketlancering of een formule 1 auto die met 375 km het rechte stuk opkomt, het antwoord bleef men dan schuldig. Tranen met tuiten werden er gehuild op de club als men tegen mij moest spelen, het leidde tenslotte tot een leegloop van leden waarna ik vriendelijk doch zeer dringend werd verzocht mijn lidmaatschap op te zeggen. Mijn opslag was zo krachtig dat vele tegenstanders beweerden dat ze het balletje niet zagen aankomen. Dan legde ik hen uit dat het balletje wel te zien was maar dat hun ogen niet snel genoeg functioneerden. Meestal werd er dan geknikt, niet omdat ze het begrepen maar omdat ze bang waren dat tegenspreken tot een 2e service zou leiden.
Vele toernooien gespeeld, op mijn 25e werd het toppunt van mijn carrière bereikt. Ik heb toen eens een bal zo veel spin gegeven dat hij terug naar mij toe draaide en me bijna een high five gaf. De bal miste mijn hand maar het gebaar waardeerde ik zeer. Er zijn weinig ballen in de wereld met zoveel intelligentie. Ook nog een demonstratiepartijtje gespeeld tegen de bekende tafeltennisser Jan Ove Waldner. Ik heb nog nooit een mond zo open zien staan. Ik versloeg hem namelijk in 2 slagen: 1) mijn opslag en 2) het moment waarop Jan Ove zijn batje neerlegde, wegliep en zei: “ik vind dit niet emotioneel verantwoord” of iets in die strekking, want Zweeds is bij mij niet op het niveau van het Fins.
Ik ben er op een gegeven moment mee opgehouden en gaan voetballen maar daarover in 1 van de volgende columns. Jaren later en ouder heb ik me nog eens aangemeld bij een beginnende tafeltennisvereniging in Almere, het inmiddels bekende Almere United. Aardige mensen, ik weet nog goed dat ik daar binnenkwam en de voorzitter een beetje in de lach schoot, ik hoorde hem denken: weer een oude amateur erbij maar goed, een lid is een lid. Toen ik hem enkele weken later als tegenstander aan de tafel trof en hem trakteerde op mijn nog steeds aanwezige supersmashes kon hij slechts met respect uitbrengen: “rustig aan, maestro”.
Desalniettemin is het een fijne vereniging en raad ik een ieder aan, woon je in de buurt van Almere, meld je aan als lid, denk niet dat je zo goed zal worden als ik maar tafeltennis is een heerlijke sport om te beoefenen.
Ko Lum
===========================================================================================================
DE OUDEREN HEBBEN HET VERLEDEN. (nr. 4)
Men zegt dat de jeugd de toekomst heeft. Dat zal best. Maar die toekomst is vaag. Ook in 2026 weet niemand hoe het er over dertig jaar uitziet. Wie dat wél beweert, verkoopt crypto.
Ik ben niet van gisteren. Eerder van vóór eergisteren. Ik heb het verleden. En dat is geen hobby, dat is ervaring.
Zo had je in mijn tijd populaire sporten zoals trefbal (wat heb ik daar een blauwe plekken aan overgehouden), diabolo, dat destijds een populair jongleerspelletje was maar nooit deed wat ik wilde, rolschaatsen voor gevorderden, heb ik ook gedaan maar het was meer vallen dan opstaan, pollenhappen en zeeklunen. En ja, ik was nationaal kampioen zeepkistrace. Zonder remmen. Dat scheelt nu weer herinneringen.
Al die genoemde sporten zijn totaal verdwenen of gefuseerd tot een nieuwe sport, zoals daar nu het skeeleren is dat is voortgekomen uit het rolschaatsen. Zeepkisten werden Formule 1, maar dan met minder lef en meer marketing.
De grootste sport van nu? Schermtijd. Topsport voor zittend Nederland. Wereldkampioen niks doen.
Laat één ding duidelijk zijn: over dertig jaar zal niets meer hetzelfde zijn. Als ik er dan nog ben, lig ik vermoedelijk in het Nationaal Museum van Verdwenen Bewegingen, naast een zak knikkers en de zeepkist, met een bordje: “Kon vroeger zonder scherm.”
Schoolklassen lopen langs, drukken op een knop en dan begin ik te vertellen. Dus geniet van het heden — straks ben je cultureel erfgoed.
Ko Lum
===========================================================================================================
EEN ZWARE DOBBER (nr. 5)
“Dat wordt een zware dobber.” Een klassieker in de sport.
Ajax en de Champions League? Zware dobber.
Tegen Rico Verhoeven kickboksen? Vooral voor je kaak.
Met al die sportevenementen duikt de uitdrukking weer op.
WK voetbal bijvoorbeeld.
Wereldkampioen worden? Voor Oranje: dobber. Met ballast.
Ik kwam de term recent ook persoonlijk tegen.
Ik was namelijk zelf een zware dobber geworden.
Jarenlang sportte ik fanatiek.
Dat compenseerde het zitten en schrijven.
Maar toen ik stopte met sporten, begon het feest.
Vooral rond mijn middel.
Bij de slager vroegen ze niet meer:
“Mag het ietsje meer zijn?” Nee hoor.
Het pondje lag er al bij. Uit voorzorg.
Ik probeerde alles.
Tennis. De umpire riep steeds “vetpoint”.
Niet mijn punt, wel mijn probleem.
Touwtjespringen: na regen bleef het water staan.
Wielrennen dan. De tubes gaven het op.
Ik hoorde ze zuchten onder het te torsen gewicht.
Mijn buurman kwam met dé oplossing: "ga lekker zwemmen".
Briljant idee. Een geldig excuus om naar het zwembad te gaan.
Baantjes trekken i.p.v. kroketten bij FEBO.
De eerste keer was hels. Niet het zwemmen.
De badmeesters. “Wilt u links zwemmen?”
“Daar moet de bodem nog schoon.”
Humor. Van professionals.
Dat was de druppel. Ik stapte in de auto.
Blokkeerde een oprit.
En dronk een fles whisky leeg. Zittend.
De politie kwam. Blaastest. Mee naar het bureau.
Nu zit ik al een week in een koude cel.
Op water en brood.
Als ik hier geen kilo’s verlies,
dan ga ik het kickboksen toch overwegen.
Ko Lum
===========================================================================================================
VERLIEZEN IS EEN KUNST (nr. 6)
“Je moet ook tegen je verlies kunnen.”
Die zin hoor ik al sinds mijn jeugd.
En eerlijk is eerlijk: ik kan veel. Heel veel.
Maar verliezen? Nee.
Dat begon al vroeg.
Ik was een jongetje van acht. Straatvoetbal met buurtgenoten.
Niet gewonnen? Tranen. Met tuiten.
De dag telde pas als ik had gewonnen. Punt.
Dat verliessyndroom is nooit meer weggegaan.
Het is gebleven. Hardnekkig. Als eelt.
Ook mijn kinderen hebben ermee moeten leven.
Met een winnende vader.
Ik speelde met mijn zoontjes (toen 8 en 5) net zo lang door totdat papa,
breed glimlachend, weer had gewonnen.
Ganzenbord. Monopoly. Dammen. Memory. Bordje tik. Bromtollen.
Alles was toegestaan. Behalve verliezen.
Dat riep weerstand op.
Mijn schoonmoeder keek me jaren niet aan.
Een verlies overigens dat ik prima kon dragen.
Winnen zit nu eenmaal in mijn bloed.
En om daarvoor een bloedtransfusie te ondergaan gaat me wat ver.
Mijn credo is simpel:
wie tegen zijn verlies kan, is geen winnaar.
Zet ’m maar op een tegeltje.
Achteraf moet ik toegeven: mijn opvoeding werkte.
Ook mijn kinderen kunnen niet tegen hun verlies. Trots?
Misschien een beetje. Je komt ons soort overal tegen.
Bijvoorbeeld bij het tafeltennis.
Laatst zat ik bij een kampioenswedstrijd.
Het balletje raakte de netband. Plop. Net op de tafel van de tegenstander.
Kansloos voor diezelfde tegenstander.
Honderd van de honderd keer klonk er: “Sorry.” Of: “Excuus.”
Maar ondertussen werd het punt liefdevol omarmd.
Was het excuus écht gemeend? Dan speel je het punt opnieuw.
Maar nee hoor. Het punt werd gretig geïncasseerd.
Met het ouder worden merk ik dat verliezen vaker voorkomt.
Het hoort er nu bij. Bijna dagelijks zelfs. En meestal kan ik ermee leven.
Maar soms. Heel soms. Doet het nog steeds verdomd veel pijn.
Ko Lum
==========================================================================================================
Vroeger… was alles beter! (nr. 7)
Al mijmerend loop ik langs een lange rij keurige eengezinswoningen. Met bijpassende tuintjes. Voor de deur staan blinkende middenklassers. Geduldig wachtend op hun baas.
Om de paar straten duikt een speelplek op. Kunstgras. Strakke lijnen. Fraaie doeltjes. Ontworpen zodat de jeugd optimaal, verantwoord en vooral veilig kan werken aan de voetbaltechniek.
Maar voetballende kinderen? Geen spoor. Geen geschreeuw.
Geen ruzie over wie in de spits mag.
Zelfs geen gesneuveld raam van de overbuurman.
Doodse stilte.
Hoe anders was dat toen ik zelf een jaar of twaalf was. Wij woonden niet drie-, maar vierhoog achter. Met een balkonnetje waar je nauwelijks met z’n tweeën kon staan zonder ruzie. Voetballen deden we niet op een veld. Maar op straat. Letterlijk.
Uitgetrokken truien en jassen waren de doelpalen. We combineerden, pingelden en schopten erop los. We speelden tot het donker werd. Of tot buurman zijn raam openzwaaide en riep dat hij “er klaar mee was”. Waarmee hij bedoelde: zijn middagdutje.
En ja, ik durf het hardop te zeggen. Volgens mij waren we er toen beter aan toe. Tegenwoordig geldt: heb je geen smartphone in je hand, dan besta je nauwelijks. Buitenspelen is nu vooral filmen dat je buiten bent.
Op straat leerde je écht sporten. Voetballen daar. Basketballen, volleyballen en tennissen in de zaal. Met vallen, opstaan en blauwe plekken als gratis bijvangst.
In mijn tijd zat er nog gewoon een veter in een voetbal. Kopte je die bal, dan kreeg je standaard een afdruk van leer en veter op je voorhoofd. Dat noemden we geen blessure. Dat heette training.
Daar dankte ik mijn feilloze koptechniek aan. En menig doelman zijn wanhoop. Maar goed, dat terzijde.
Misschien is het nostalgie. Misschien romantiseer ik het verleden. Maar als ik nu die lege kunstgrasveldjes zie, denk ik: we hebben de doelen mooier gemaakt. De ballen zachter. De regels veiliger. Alleen de spelers zijn we ergens onderweg kwijtgeraakt.
En wie weet.
Als er straks een bordje komt met:
“Ouderwets buitenspelen – Wifi aanwezig”,
loopt de straat eindelijk weer vol.
Ko Lum.
========================================================================================================
BLESSURES (nr. 8)
Blessures en sport: een onafscheidelijk duo. Ook ik, zelfverklaard groot schrijver én sportheld, heb mijn portie gehad.
Als 12-jarig jochie begon ik met judo. Examen voor de zwarte band? Ik woog 40 kilo, mijn tegenstander bijna het dubbele. Bij een schouderworp hoorde ik drie keer knap:
De eerste knap had betrekking op de arm van mijn tegenstander die ik uit de kom trok, de 2de knap betrof mijn schouder die spontaan brak onder het te torsen gewicht en de laatste knap was mijn moraal om ooit nog eens te judoën, ik was er meteen klaar mee. Revalidatieperiode: 1 jaar.
Vervolgens heb ik me aangemeld bij de plaatselijke voetbalclub en in no time was ik de gevierde rechtsbuiten, het ging geweldig totdat ik in een door een mol gegraven gat stapte en mijn enkelband tot op het bot afscheurde. Revalidatieperiode: ruim 1 jaar inclusief 2 operaties.
Ik kon geen bal meer zien en meldde me aan bij schaakvereniging Ons Genoegen. Dat genoegen bleek niet wederzijds want nadat ik mijn tegenstander bijna mat had gezet hield de boven de speeltafel hangende lamp het hangen voor gezien en viel met zijn volle gewicht op mijn intelligente hoofd. Veel bloed en 5 hechtingen later heb ik mijn schaakstukken in de zee gegooid.
Tussendoor nog wel regelmatig gevist maar nadat ik een iets te diep ingeslikte haak bij een snoek van 1m15 moest verwijderen was de eerste hulp de enige instantie die mijn wijsvinger van 2 hechtingen kon voorzien.
Inmiddels doe ik aan tafeltennis waarvan ik dacht: blessures zijn bij deze sport toch vrijwel uitgesloten totdat ik een artikel las waarin een top 8 van meest voorkomende blessures bij tafeltennis werd beschreven....oogletsel, kniebanden, arm- en onderbeenkwetsuren, rugproblemen etc.
Volgens experts is fitness de veiligste sport. Gezien mijn trackrecord geloof ik daar niets van.
Ik wens iedereen een blessurevrij 2026.
PS: Ik overweeg nu competitief papiervouwen. Al vrees ik dat ik eindig met een dubbele vouw in mijn pink en een snijwond van 30 centimeter.
Ko Lum
==========================================================================================================
Vakantie. (nr. 9)
Ik krijg er jeuk van. Mensen kijken ernaar uit.
Ik niet. Nooit gedaan ook.
Op de lagere school begon het al.
Daar leerde ik het woord vakantie kennen.
Tot mijn grote schrik.
Ik was een snelle leerling.
Veel te snel voor alle anderen.
Als peuter telde ik al tot tien.
In vijf talen.
Rekenen deed ik op universitair niveau.
Dat heeft me later veel opgeleverd.
Gouden resultaten zelfs. Maar goed, dit terzijde.
Elk schooljaar zat ik lekker in mijn ritme.
Tot daar ineens die vakantie was.
Zes weken niets leren. Zes weken verloren tijd.
Met mijn ouders naar een camping in Valkenburg.
Met een tent. Ze noemden het een bungalowtent.
Vond er weinig bungalow aan. Onder een dijk.
Vier dagen regen. Daarna dreven we terug naar huis.
Sindsdien haat ik vakantie.
En kamperen. Ik noem het kramperen.
Dat woord doet het beter dan tenten ooit deden.
Nu ben ik 85. En wijzer. Ja, dat kan samen.
Ik dacht: ik heb het inmiddels verwerkt.
Tot een paar weken geleden. Kerstvakantie.
Schildercursus: de parkeerplaats was leeg. Vakantie.
Mijn vrouw Kobie naar haar crea-clubje.
Dichte deur. Vakantie natuurlijk.
Mijn veteranentraining? Afgelast. Ja hoor, vakantie.
Alle oude wonden opengereten. En dat in één week.
En dan moet je begin januari competitie spelen.
Met kerstvakantiebenen.
Succes ermee.
Ko Lum
=========================================================================================================
DANSEN EN SJANSEN (nr. 10)
In mijn tienertijd (jaren 50) zag de maatschappij er heel anders uit dan heden ten dage. Een partner vinden was geen kwestie van swipen vanaf de bank, maar van hopen, wachten en vooral veel geduld hebben. Tegenwoordig kun je met internet, smartphones en een explosie aan datingsites vanuit je luie stoel na enig digitaal keurwerk contact leggen met een potentiële levenspartner. Hoe anders ging dat vroeger.
Als je geluk had, woonde je naast een leuk buurmeisje. En als dat gevoel wederzijds bleek en haar ouders niet permanent achter het gordijn stonden, kon dat zomaar tot een relatie leiden. Maar meestal was je aangewezen op dé plek waar romantiek en zenuwen samenkwamen: de plaatselijke dansvereniging.
De kledingvoorschriften waren streng. Een zwart pak, stropdas en lakschoenen. Ik heb drie krantenwijken moeten lopen voordat ik financieel aan deze eisen kon voldoen, maar op mijn achttiende was het zover. Op naar de dansclub, gewapend met goede moed en slechte verwachtingen.
Je kwam een grote zaal binnen met aan weerszijden spiegels en lange houten banken. Aan de ene kant de meiden, aan de andere kant de jongens. Alsof je op een menselijke veemarkt was beland. Op commando mochten de meisjes hun eerste danspartner uitkiezen. En daar ging het voor mij al mis. Mogelijk door de combinatie van jeugdpuistjes en een licht wanhopige blik bleek ik niet bepaald populair. Gelukkig bleef er nog één meisje over met hetzelfde probleem, dus werden wij liefdevol, nou ja, aan elkaar gekoppeld.
Helaas bleek ik totaal geen ritmegevoel te hebben. Waar ik drie passen naar achteren hoorde te doen, ging ik er twee naar voren. Met als gevolg dat ik haar tenen behandelde alsof het rempedalen waren. Na drie weken oefenen was er geen enkele verbetering zichtbaar, iets wat de dansleraar, een man met de uitstraling van iemand die vond dat ritme aangeboren moest zijn, op weinig subtiele wijze aan de hele groep liet weten. Hij klapte in zijn handen en vroeg de groep even te kijken hoe het niet moest…..
Het definitieve einde kwam toen ik tijdens een volgende dans met de punt van mijn linker lakschoen een keurig laddertje van zo’n zeventig centimeter in haar nylonkousen wist te trekken. Dat was het moment waarop mijn danscarrière abrupt tot stilstand kwam.
Thuis heb ik mijn pak, stropdas en lakschoenen zonder pardon in de container gegooid waar ze met meer ritme neerkwamen dan dat ik ooit op de dansvloer had laten zien. Daarna viel de deksel dicht waarbij ik mompelde: “dit nooit meer!” Dat voelde als vooruitgang.
En zo werd ik geen danskoning, geen verleider op de dansvloer, maar wel ervaringsdeskundige in dansen en sjansen. Een titel waar je niets aan hebt, maar die je later prima kunt gebruiken voor een column.
KO LUM
=========================================================================================================
Vroeger… was alles beter! (Restyled). (nr. 11)
Al mijmerend loop ik langs een lange rij keurige eengezinswoningen. Met bijpassende tuintjes. Voor de deur staan blinkende middenklassers, geduldig wachtend op hun baas. Ik ga op een bankje zitten en knijp mijn ogen half dicht. Herinneringen flitsen door mijn inmiddels wat tragere brein.
Mijn vader, trots als een pauw op zijn eerste auto: een zes jaar oude Renault Dauphin. Geen technische snufjes, alleen een stuur, kilometerteller en versnellingspook. De luxe bestond uit een kleine ingebouwde radio die vaker stoorde dan muziek voortbracht. Het deerde ons niet. We konden eindelijk verder dan de plaatselijke supermarkt op de fiets.
De grote vakantie brak aan. De Renault kreeg een imperiaal op het dak, met daarop de bungalowtent en een koffer die eigenlijk te groot was. Binnen was plaats voor vier personen, mijn broer mocht ook mee. Luxemburg werd de bestemming, een camping aan de rivier de Sûre. De reis duurde eindeloos. Onderweg nog een lekke band, die mijn vader met een klein ijzeren krikje verwisselde, zwijgend en vastberaden.
Na zeven uur opgevouwen op de achterbank moesten eerst de benen worden gestrekt. Daarna werd de bungalowtent aangevallen. Een bouwpakket van stangen en scheerlijnen, waarbij de handleiding ontbrak of genegeerd werd. De tent stond uiteindelijk, al vond ik er weinig bungalow aan. We stonden onder aan een dijk. Na vijf dagen regen dreven we bijna vanzelf terug naar de auto op het driehonderd meter verder gelegen parkeerterrein.
Mijn ouders hadden genoeg gekampeerd. Ik ook. Toch herinner ik me vooral het samen buiten zijn. Het avontuur. Het ongemak dat ons dichter bij elkaar bracht. Misschien mis ik dat nog wel het meest.
Ik open mijn ogen en wandel verder.
Om de paar straten duikt een speelplek op. Kunstgras. Strakke lijnen. Fraaie doeltjes. Ontworpen zodat de jeugd verantwoord en veilig kan werken aan de voetbaltechniek.
Maar kinderen? Geen spoor.
Geen geschreeuw.
Geen ruzie over wie in de spits mag.
Zelfs geen gesneuveld raam van de overbuurman.
Doodse stilte.
Hoe anders was dat toen ik een jaar of twaalf was. Vierhoog achter, met een balkonnetje waar je met z’n tweeën nauwelijks kon staan zonder woordenwisseling. Voetballen deden we niet op een veld. Maar op straat. Letterlijk.
Uitgetrokken truien waren de doelpalen. Ik waande me soms Piet Keizer, de sierlijke linksbuiten van het grote Ajax van weleer. Natuurlijk had hij meer techniek in zijn linkerteen dan ik in mijn twee benen, maar toch… het voelde groots. We combineerden, pingelden en schoten tot het donker werd. Of tot de buurman zijn raam openschoof en riep dat hij “er klaar mee was”. Wat betekende: zijn middagdutje.
We leerden er meer dan alleen voetbal. We leerden winnen zonder opscheppen. Verliezen zonder weg te lopen. En weer doorgaan als je viel.
Misschien romantiseer ik het verleden. Misschien hoort elke generatie te mopperen op de volgende. Maar als ik nu langs die lege kunstgrasveldjes loop, vraag ik me af wat we precies hebben verbeterd.
De doelen zijn mooier.
De ballen zachter.
De regels veiliger.
Alleen het geluid van spelende kinderen lijkt ergens onderweg te zijn achtergebleven.
Ik denk terug aan Luxemburg. De eerste drie dagen, tweeënzeventig uur, waarin alles leek tegen te zitten. De lekke band. De regen die maar bleef vallen. De tent die scheef stond en mijn vaders geduld dat op de proef werd gesteld.
En toch.
In die tweeënzeventig uur leerden we meer dan in maanden daarvoor. Dat ongemak verbindt. Dat avontuur niet in comfort zit. Dat samen doorweekt in een te kleine tent zitten een herinnering kan worden waar je een leven lang op terugkijkt.
Misschien is dat wat ik mis als ik naar het stille veldje kijk. Niet het spel alleen. Maar wat er in tweeënzeventig uur kan gebeuren als je elkaar buiten tegenkomt.
Wie weet is er niet meer nodig dan dat.
Tweeënzeventig uur.
Eén bal.
En iemand die hem durft te trappen.
Ko Lum
==========================================================================================================
VOORJAARSMOEHEID (NR. 12)
Op het moment dat ik deze column typ schijnt de zon op mijn vingers, hoor ik vogels fluiten alsof ze auditie doen voor een natuurdocumentaire en staat er een cocktail voor mijn neus die dringend om aandacht vraagt. Wie dit leest zou denken dat ik ergens op een tropisch eiland zit, maar niets is minder waar. Ik zit gewoon thuis, achter mijn bureau, dat strategisch naast het tuinraam staat opgesteld. Met een beetje fantasie en een goed glas, kom je al een heel eind.
De lente staat weer voor de deur. Dat betekent bloeiende planten, langere dagen en mensen die plotseling geloven dat hun leven drastisch gaat verbeteren zodra de temperatuur boven de tien graden komt. Tegelijkertijd duikt elk jaar hetzelfde mysterieuze fenomeen op: voorjaarsmoeheid. Een merkwaardige aandoening waarbij mensen juist uitgeput raken op het moment dat de zon eindelijk weer eens moeite doet.
Vorige week was ik bij een voetbalwedstrijd. Ik ken de spelers niet, ik herken ze hooguit aan hun kapsel of aan het feit dat ze achter een bal aanrennen, maar zelfs zonder medische opleiding kon ik constateren dat sommigen er behoorlijk doorheen zaten.
Zo liep er een speler langs (naar later bleek de spits) met een hoofd dat roder was dan het rode shirt dat hij droeg. Dat kan natuurlijk fanatisme zijn, maar het had ook iets weg van iemand die zich plotseling realiseerde dat hij op zondagmiddag vrijwillig sprintjes trekt voor het vermaak van mensen met koude voeten langs de lijn.
Naast mij stond een toeschouwer die hoorbaar kreunde bij het drinken van een glas pils. Dat vond ik knap. Het optillen van een glas is normaal gesproken een beweging die zelfs in de meest luie huishoudens nog moeiteloos wordt uitgevoerd. Maar blijkbaar kan voorjaarsmoeheid zelfs deze discipline tot een ware krachtsinspanning maken.
Ook de supporters deden opvallend rustig aan. Waar normaal gesproken een oorverdovend “Kom op!” over het veld galmt, klonk nu iets wat meer leek op een vermoeid: “Ach… probeer het nog eens.”
Zelfs thuis ontkom ik er niet aan. Mijn vrouw Kobie klaagde laatst dat de dekens van ons bed steeds zwaarder lijken te worden. Terwijl ze tijdens het stofzuigen opmerkte dat onze bescheiden tweekamerwoning inmiddels aanvoelt als een landgoed met veertien kamers, drie trappen en een personeelsingang. Ik heb nog even gecontroleerd of we misschien ongemerkt waren verhuisd naar een kasteel, maar nee, het is nog steeds dezelfde woning. Alleen de energie is ergens onderweg blijven liggen.
Gelukkig heet ik niet voor niets Ko Lum en beschik ik over de gouden tip voor iedereen die zich herkent in deze seizoensgebonden uitputtingsslag.
Veel mensen komen met adviezen als: op tijd naar bed gaan, minder alcohol drinken, gezond eten en af en toe naar de sauna. Allemaal prachtige ideeën, maar eerlijk gezegd klinkt het ook als een hoop werk. En werk is nu juist waar we op dit moment een beetje moe van worden.
Mijn advies is daarom eenvoudiger.
Geniet. Geniet van de planten die weer tot bloei komen, van de vogels die denken dat ze operazangers zijn en van de zon die eindelijk weer eens haar gezicht laat zien. Laat de zonnestralen je lichaam opwarmen en je humeur een kleine onderhoudsbeurt geven.
En geloof me: dan verdwijnt die voorjaarsmoeheid vanzelf.
Al is het maar omdat je genoeg energie terugkrijgt om zonder te kreunen een glas pils op te tillen.
Ko Lum
========================================================================================================
Hoofd vol plannen, benen vol zand (NR. 13)
Soms wil mijn hoofd meer dan mijn benen kunnen waarmaken. Laatst gebeurde dat mij weer eens.
De zon scheen alsof hij ervoor betaald kreeg, de lucht was Instagram-blauw en regen had zich officieel ziek gemeld. Kortom: perfect weer voor een strandwandeling. Het was tenslotte alweer veel te lang geleden dat ik, al pootjebadend, filosofisch langs de Noordzee had gestruind.
Als inwoner van Almere begint “even naar het Noordzeestrand” uiteraard met een logistieke operatie waar menig militaire missie nog iets van kan leren. Dus stapte ik in de auto richting IJmuiden, een plek vol nostalgie: spelende kinderen, vergeefse vispogingen en het hardnekkige idee dat ik ooit geduldig was.
De heenreis ging verrassend soepel. Dat had me eigenlijk al moeten waarschuwen. Eenmaal aangekomen bij de parkeerplaats begon namelijk het echte avontuur: het vinden van een parkeerplek. Na vier rondjes kende ik het terrein beter dan mijn eigen wijk. Ik overwoog al een adreswijziging. Gelukkig kwam er uiteindelijk een plekje vrij en kon mijn stranddroom alsnog doorgaan.
Toen begon deel twee: de wandeling naar het strand. Of beter gezegd: de overlevingsstrijd door het mulle zand. Na een kwartier voelde ik spieren waarvan ik niet wist dat ik ze had, en die dat ook liever zo hadden gehouden. Het begon me te dagen dat die parkeerplaats vroeger óf dichterbij lag, óf ik gewoon aanzienlijk jonger was.
Eindelijk bij de zee aangekomen: schoenen uit, broekspijpen omhoog en waden maar. Het water was fris, de zee rustig en even leek het alsof alle goede ideeën van de wereld bij mij opkwamen. Dat schijnt vaker te gebeuren als je met je voeten in het water staat.
Na een uurtje vond ik het wel mooi geweest. Tijd om terug te gaan. Over dezelfde route, want een snelweg door het zand was nog steeds niet aangelegd, een gemiste kans als je het mij vraagt.
Het werd steeds lastiger om mijn tong in bedwang te houden; die wilde het liefst op mijn inmiddels weer aangetrokken schoenen meeliften. Halverwege de klim begon ik zelfs te overwegen of het sociaal acceptabel is om gewoon permanent op een duin te gaan wonen. Met een klein huisje. En een lift. Vooral een lift.
Tegen de tijd dat ik boven was, had ik een diep respect ontwikkeld voor bergbeklimmers en een lichte haat tegen zand. Maar ik haalde het. Ik bereikte mijn auto. Overwinningsgevoel, licht dramatisch ademhalen, het hele pakket.
Eén ding weet ik inmiddels wel zeker: mijn hoofd wil binnenkort weer naar het strand. Mijn benen denken daar voorlopig nog even rustig over na.
KO LUM
=========================================================================================================
WOORDENSCHAT (nr. 14)
Een goede columnist dient naast een schat aan woordenkennis ook te beschikken over levenservaring en verstand van (diverse uiteenlopende) zaken. Bijkomend nadeel van deze eigenschappen is dat in de columns breedsprakigheid oftewel het gebruik van vele woorden wordt aangewend om iets te duiden. Mij is nu door de hoofdredacteur van ons regionale weekblad gevraagd om maximaal 300 woorden te gebruiken om de toestand in de wereld te beschrijven. Gelukkig zie ik in elk probleem een uitdaging dus gaat ook dit mij lukken.
Het leek mij een goed idee een luchtig onderwerp te beschrijven zodat ik kan wennen aan het mij opgedragen woordenquotum.
Dat werd een fietstocht langs een sloot met broedende zwanen. Prachtig nest, liefdevol stel, alles klopte. Tot de mannetjeszwaan mij zag. Zijn nek schoot omhoog als een periscoop en hij keek me aan alsof ik persoonlijk verantwoordelijk was voor alles wat misgaat in de wereld, inclusief regen op Koningsdag.
Ik bleef rustig staan, zoals natuurdocumentaires voorschrijven. Fout. Hij begon te blazen: een geluid tussen een lekke band en diepe blinde woede. Terwijl ik achteruit fietste, realiseerde ik me dat een zwaan eigenlijk gewoon een gevederde portier is met agressieproblemen.
Het vrouwtje keek goedkeurend toe. Ik mompelde excuses (waarvoor? geen idee) en mocht pas door toen hij, zichtbaar tevreden, terugkeerde naar zijn nest. Waarschijnlijk om te melden dat hij zojuist de mensheid had tegengehouden.
Graag had ik het in deze column nog willen hebben over de toestand in de wereld, de politiek, het slecht groeiende gras, het wratje op mijn neus en het weer maar het zal allemaal voor de volgende keer zijn want als ik goed tel zit ik nog net aan de goede kant van mijn woordenquotum.
Maar eerlijk: die zwaan heeft het al prima samengevat.
Ko Lum.